'Ik zie mezelf niet als leider' - In gesprek met Herman Van Rompuy

Gepubliceerd op 15 december 2023 om 18:41

14 jaar geleden, op 19 november 2009 wordt Herman Van Rompuy gekozen tot eerste president van de Raad van Europa. Hij is toen nog maar een jaar premier van België. De wereldpers portretteert hem als een grijze muis, wel een met humor en macht. Een asceet, gematigd conservatief, een gerespecteerde bemiddelaar, een intellectueel, sober en degelijk, een Europeaan in hart en nieren.  Bij zijn ambtsaanvaarding op 1 januari 2010 zegt hij: "Ik aanvaard mijn aanstelling tot permanent voorzitter die ik als een eerbetoon beschouw aan België, dat zich als stichtende lidstaat onophoudelijk heeft ingezet voor de opbouw van Europa. Ik was geen kandidaat voor deze functie, maar ik neem ze met veel enthousiasme aan. Het profiel van de Europese president is duidelijk: dialoog, eenheid en actie staan centraal. Ik wil de nadruk leggen op de verscheidenheid die de Unie kenmerkt, waardoor onderhandelingen waarbij iemand verliest geen goede beslissing zijn. Het imago van de vergadering van staatshoofden en regeringsleiders wordt opgebouwd door de behaalde resultaten. Daarbij pleit ik in navolging van de "rustige vastheid" voor de stapsgewijze benadering: step by step, maar zonder too little too late."

Voor Antwerp Management School en het nieuwe expertisecentrum leiderschap, opgericht in 2010, is hij een rolmodel. Op 8 mei 2012 geeft hij een lezing in Antwerpen over leiderschap. Europa verkeert in een diepe crisis. ‘Leiderschap kan je alleen fenomenologisch benaderen. Je kan het niet definiëren, je kan het wel vaststellen’. De bescheidenheid waarmee hij spreekt, zijn streven naar waarheid, ontdaan van alle hoogdravendheid, staan dwars op de vaak heel aspirationele en instrumentele ‘transformational leadership’ retoriek van het Angelsaksische managementdenken. We vragen hem om een nawoord te schrijven voor ons eerste boek ‘De leider in de spiegel’. In dat boek benaderen we, net als hij, leiderschap als een open idee, waarbij menselijkheid, duurzaamheid, oprechtheid belangrijk zijn. Voor onze boeken ‘De kleren van de leider’ (2017) en ‘Over leiderschap. 19 inzichten’ (2022) schrijft hij telkens het voorwoord. En pas met het laatste boek reik ik uit naar hem voor een gesprek over leiderschap.  Hij nodigt mij uit bij hem thuis.

‘Ik zie mezelf niet als leider.’

Ik ben een kwartier te vroeg en parkeer mijn wagen half op het gras een tiental meter voor zijn woonst. Een vrouw passeert, kijkt naar mij, naar de auto en neemt een foto met haar telefoon. Ik spreek haar aan: ‘Waarom neemt u een foto van mij?’ Ze antwoordt dat ik daar niet mag staan, dat er een gele lijn is. Ik verontschuldig me, zeg dat ik me wat zenuwachtig voel. ‘Moet je daar zijn?’ vraagt ze en ze wijst naar de poort. ‘Ja’. ‘Och, dat zijn ook maar gewone mensen.’ ‘Dat weet ik en toch vind ik het spannend.’ Ze lacht. We praten over sluikparkeerders die een eventuele brandweerwagen de toegang kunnen versperren. De vrouw wandelt weg en ik zie dat de poort open is en Herman Van Rompuy het tafereel bekijkt. Hij wandelt naar me toe. Lichtblauw hemd, beige pantalon.

‘Goeiemiddag,’ zeg ik.

‘Komt u voor mij?’ vraagt hij. Vriendelijk, tussen verstrooid en nieuwsgierig.

‘Ja, ik kom hier voor het gesprek.’

‘Je kan daar parkeren,’ wijst hij een plek aan naast een andere auto.

Het huis valt niet op. Vrijstaand, omgeven door groen, in niets buitensporig. ‘Gematigdheid,’ vertelt hij later in een gesprek. Met klemtoon. Zijn drijvende waarde. Hij neemt me mee naar binnen.

‘Waar zullen we zitten? Buiten?’

‘Ja, het is een mooie dag, niet?’

We schuiven twee stoelen bij elkaar, ik leg mijn gerief op een stoel ertussen. Hij wacht geduldig. Ik voel me ontspannen. Met dit onthaal heb ik het antwoord op al mijn vragen. Het beeld dat ik van hem gekregen heb doorheen zijn interviews, lezingen en boeken ‘Europa in de storm’ (2014), ‘Anti-memoires’ (2018), ‘Mijmeringen’ (2021), ‘Wie wij waren’ (2022) klopt met hoe hij mij onthaalt: respectvol, geïnteresseerd, bescheiden.

‘Ik heb jouw vragen deze morgen nog eens gelezen, en ik moet bekennen, ik zie me helemaal niet als een leider. Een leider heeft volgelingen en ik heb geen volgelingen. Ik ben telkens opnieuw verrast als mensen hun bewondering of zo voor mij tonen. Dat is geen valse bescheidenheid. Dat is existentieel.’

‘Daarom juist wilde ik je spreken,’ lach ik. ‘Het is best opmerkelijk voor iemand die belangrijke leiderschapsposities ingenomen heeft om zichzelf niet te zien als een leider. En ik vind het ook inspirerend, dat iemand zo’n verantwoordelijkheid kan dragen zonder zichzelf uit te vergroten.’

‘Is dat nu een voorbeeld van politieke moed?’

‘Ik praat over leiderschap omdat ze me vragen erover te spreken,’ gaat hij verder. ‘En dan denk ik daarover na, want ik wil daar wel iets zinnigs over zeggen.’

‘En waar praat u dan over?’

‘Ik start altijd met de vier kardinale deugden van Cicero. Daar is de fortitudo bij. De moed. Een leider moet moedig zijn. Een beetje tegen de stroom in durven gaan en mensen trachten te winnen. Je kunt wel niet bestendig moedig zijn. Als politicus weet je op voorhand ook niet of je beloond wordt voor je moed. Het is een kwestie van timing, luisteren, afstemmen en dan een feit creëren. Als de beslissing goed is, leggen mensen zich er bij neer. En dan is er de temperantia, de gematigdheid, ‘la révolution des modéres’. En de justitia, de rechtschapenheid, iedereen tot zijn recht laten komen. En de vierde…, ik kan nu niet op de vierde komen… Het schiet me straks wel te binnen.’

Als ik vraag naar een voorbeeld van politieke moed vertelt hij over zijn eerste Europese Raad als voorzitter in februari 2010. ‘We moesten de vastgelegde agenda droppen en het hebben over de schuldencrisis in Griekenland. Maar wat moest ik daar vertellen? De ministers van financiën waren er niet uitgeraakt. Ik heb toen voorafgaand aan de raad samen gezeten met onder meer Sarkozy, Merkel, Papandreou om een tekst voor te bereiden. Ik heb de Europese Raad twee uur laten wachten. Ik wilde eerst een akkoord. De discussie ging over Griekenland helpen of niet. Op een bepaald moment voegde ik toe ‘als Griekenland het vraagt.’ Vier woorden. Daar kon Merkel mee leven. We zijn met de tekst naar de Raad gegaan. Ik nam daar een risico. Ik zei ‘kijk, ik heb een voorstel, afgetoetst met die en die en die… Heeft iemand hier opmerkingen over?’ Iedereen zweeg. Ik had de horde genomen en dat is het begin geweest. Vanaf de start heeft men gezien, 'we mogen hem niet onderschatten.’

Het voorbeeld klopt met zijn imago van consensusfiguur, meester in onderhandelen, pragmaticus. Het is leiderschap als de kunst van het leiden van een beslissingsproces.

‘Als voorzitter heb je niet veel eigen verantwoordelijkheden. Maar de wijze waarop de vergadering geleid wordt, kan je wel bepalen. Maar is dat nu een voorbeeld van politieke moed? Neen toch?’

‘Het zal toch spannend geweest zijn?’

‘Ja. Mijn hartslag was wel toegenomen. Een ander moment was op de G7. Het is 2014 en Oekraïne, Moldavië en Georgië willen een associatieverdrag met de Europese Unie. Merkel zegt dat ze geen verdrag met Oekraïne wil. Obama steunt haar. In Oekraïne was de Krim bezet door Rusland en waren er betogingen op het Maidanplein. Ik zei ‘nee. Er zijn al honderden mensen gestorven. We ondertekenen een verdrag met de drie landen of met geen.’ Ik nam die stelling in het moment. En ze zijn me daar in gevolgd. Ik heb dat kunnen doen omdat men mij na vier jaar serieus nam.’

‘Aan de vier deugden voeg ik er nog een toe: luisteren. In tegenstelling tot de Romeinen en later bij bij voorbeeld de katholieke kerk, leven we in een democratische samenleving. Luisteren impliceert respect voor de andere als gelijke. Ik ben nu wel kwaad op mezelf dat ik die vierde deugd vergeten ben. Je gaat niet weg voor ik die gevonden heb.’

‘Afgesproken,’ lach ik.

‘Wil je misschien iets drinken?’ vraagt hij. We zijn dertig minuten ver in het gesprek.

‘Wat water graag.’

Hij komt terug met een fles. ‘Het is tonic water. Misschien is dat ook goed?’

‘Ja hoor.’

Hij schenkt ons elk een glas in en zet de fles terug in de frigo.

‘Ik kom naar jou.’

‘Als het gaat over leiderschap van teams, wat kenmerkte je dan?’

‘Ik had daar een eenvoudige techniek voor. Ik ging naar de mensen in de plaats van ze tot bij mij te laten komen. Ik had daar ook een praktische reden voor. Dan kon ik weggaan wanneer ik wilde. Maar het was ook ‘ik kom naar u, ik erken u.’ Zeker in de Belgische cultuur was dat ongewoon. Alles draait rond u als eerste minister. Ik ging naar de mensen toe om die drempels weg te laten vallen en om op voet van gelijkheid te spreken.’

‘Toen ik later president werd van de Europese Raad heb ik dat ook gedaan. Er was geen precedent. Ik was de eerste. Ik heb toen beslist om elk van de regeringsleiders in hun land te bezoeken. Dat betekende dat ik ieder jaar 26 hoofdsteden bezocht. Dat gaf een signaal: ‘we zijn allemaal gelijk, we tellen allemaal mee, Europa is meer dan Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië.’ Als je iemand gezien hebt bij hem of haar thuis, dan sta je anders tegenover elkaar als je elkaar in de vergadering tegenkomt. Dat gevoel van team, gemeenschap is ontzettend belangrijk.’

‘Je niet laten opsluiten in patronen van wantrouwen.’

‘In je boek heb je het over onzekerheid als je meest typerende eigenschap. Over welk soort onzekerheid gaat het dan?’

‘Ben ik het? Kan ik het? In de humaniora was ik bij voorbeeld telkens de eerste van de klas en toch durfde ik mijn vinger niet opsteken. Ik zou wel eens iets fouts kunnen zeggen.’

‘In welke mate is dat ook een rem geweest om leiderschap te nemen?’

‘Ik heb het geluk gehad dat ze me altijd gevraagd hebben. Ik heb bijna nooit moeten solliciteren. Het kwam naar me toe. Dat hielp mij ook over onzekerheden. Ik wilde geen eerste minister worden. Weinigen geloven dat, maar dat is hun projectie, denkfout.’

‘Dat typeert jou, vind ik, een soort onthecht zijn wat anderen denken over het een of het ander, en mensen kunnen hanteren vanuit wie ze zijn en wat ze nodig hebben.’

‘Ja. Luciditeit. Je moet lucide zijn zonder overdreven wantrouwig te zijn. In politiek zeggen ze dat wantrouwen goed is. Maar dat is gemakkelijk. Je zit altijd goed, en het komt slim over, niet naïef. Maar de kunst is om vertrouwen te laten afhangen van de aard van de mensen en de aard van de situatie. Dat is echte wijsheid. Je niet laten opsluiten in patronen van wantrouwen.’

‘Het grootste gebrek is zich geen vragen meer stellen.’

‘Terug naar onzekerheid.’

‘Ja. Bij mij is het een meer existentiële onzekerheid. Bij anderen neemt onzekerheid ook toe met de ervaring, merk ik. Dat is meer situationeel. Je hebt tegenslagen, je vergist je. De laatste jaren wordt het ook alleen maar ingewikkelder. We hebben de ene crisis na de andere. Wat is dan de juiste richting? De versnippering van het politieke landschap, de individualisering in de samenleving. Eenmaal aan de macht is niets nog eenvoudig. Enkel degenen die lijden aan ‘auto-suffisance’ ervaren geen onzekerheid. Dat is het grootste gebrek dat iemand kan hebben, vind ik, dat iemand zich geen vragen meer stelt.’

‘Het verschil tussen een leider en een dictator is dat die laatste zich opsluit in zijn antwoorden.’

‘Ja.’

‘Maar wat zorgt er dan voor dat je onzekerheid je niet afgeremd heeft in je loopbaan?’

‘Ambitie. Ik heb er geen ander woord voor. Ik wilde wel het verschil maken. Ik ga dus niet zeggen dat ik niet hoopte dat ik gevraagd zou worden voor de een of andere functie. Maar ik heb er nooit om gevraagd.’

Leiderschap vanuit het gegund worden, niet vanuit het openlijk claimen. En existentiële onzekerheid als bron van luciditeit, wijsheid.

‘Ik engageer me nooit 100 %’

‘Ik wil even op mijn horloge kijken,’ zegt hij. We zijn een uur en een kwartier ver.

‘Uiteraard.’

‘Straks komen mijn kleindochters thuis.’

‘Wat ik me nog afvraag is hoe je het vol hield. Wat hield je overeind?’

‘Mijn thuis,’ antwoordt hij zonder aarzelen. ‘Ik kon thuis komen. Het is niet mogelijk om op het politieke front te vechten en dan thuis nog problemen op te moeten lossen. Er zijn grenzen aan incasseringsvermogen. Je moet ergens thuis kunnen komen. Je hebt een anker nodig. Dat wil overigens niet zeggen dat het thuis altijd gemakkelijk was.’

Ik bedenk me hoe anders de situatie is voor veel leiders vandaag. Veel thuissituaties zijn minder een evidente bron van rust en stabiliteit dan vroeger.

‘Persoonlijkheid speelt ook een grote rol. Sommige mensen kunnen meer aan dan andere of zijn ook rustiger. Tijdens de verkiezingsdag in 1989 kreeg ik telefoon van Frank Vandenbroucke die me zei al ettelijke keren te hebben gebeld. Ik zei dat ik een siësta genomen had. Hij begreep dat niet. ‘We lopen hier op de tippen van onze tenen, en jij doet een dutje?’

‘Onthechting?’

‘Ja. Ik kan dat niet verklaren. Ik heb dat leren zien als iets onherleidbaars, iets dat me eigen is. Met de woorden van Rimbaud ‘je est un autre’. Je ontdekt gaandeweg wie je bent door ervaringen met de andere. Zo heb ik ontdekt dat ik me nooit 100 % engageer. Ik hou altijd een beetje reserve. De gangbare opinie is om er volledig voor te gaan, je volledig te smijten. Ik heb dat niet. En het helpt me om het overzicht te houden, evenwicht te bewaren. Ik heb ook nooit de nood gevoeld om thuis te vertellen over wat ik overdag meemaakte. Mijn vrouw vroeg daar ook nooit naar. Gelukkig.’

‘Een beetje grootmoedigheid is belangrijk.’

‘Was dat ook niet het succes van je Europese voorzitterschap? Wat iedereen zag als geur- en kleurloos, grijs leiderschap gaf je maneuvreerruimte?’

‘Je mag niet vergeten dat mijn politieke loopbaan er toen al op zat. Ik was 63. Ik had het hoogste bereikt in België. Ik had geen dromen meer. Dat is een enorme troef gebleken. Bij mij moesten ze zich de vraag niet stellen over eigenbelang. Ik stelde mezelf nooit voorop. Ik had geen persoonlijke agenda en dat wekte veel vertrouwen. Ik kon bezig zijn met de grond van de zaak.’

‘En nu? Wat houdt je nu bezig?’

‘Weet je, wanneer je zogezegd aan de macht bent, dan ben je wel relevant, maar niet noodzakelijk interessant. En nu ben ik misschien wel interessant, maar niet meer relevant. Ik heb nu activiteiten, maar geen verantwoordelijkheden, maar ik blijf me wel gedragen alsof ik verantwoordelijk ben. Ik ga geen commentaar geven over de ene of andere gebeurtenis. Velen denken trouwens dat ik achter de schermen nog invloed heb. Niet. Helemaal niet. Als je weg bent, dan ben je weg. Ik vind dat ook goed.’

‘Terwijl je zelf in je boek laat verstaan hoe belangrijk je het vond ‘to pay tribute’, om degenen die je voorgegaan zijn te eren, te erkennen.’

‘Ja. Een beetje grootmoedigheid is belangrijk. Een mooi woord is dat. En nederigheid. De geschiedenis begint niet met je geboorte, draait niet rond je navel en stopt niet met je overlijden. Dat is very basic. Ik ben daar diep van doordrongen.’

‘Prudentia!’

We komen aan het einde van het gesprek.

‘Kan ik nog een foto nemen?’

‘Natuurlijk.’

Ik neem enkele foto’s terwijl hij op zijn smartphone zoekt naar de vierde kardinale deugd zoals Cicero ze beschreef in ‘De officiis’ (Over de deugden).

‘Prudentia! Natuurlijk.’

‘Shame on you,’ lach ik, mij ervan bewust dat dat het zijn handelsmerk is.

‘Ja, shame on me.’

‘Een mooi beeld is dat’ en ik wijs naar een levensgroot terracotta beeld van een man in kamerjas met een onschuldige open blik, kaal. Het beeld staat naast de stam van een schone taxusboom en is groen, bruin geworden zoals de schors van de boom.

‘Ja, ik heb foto’s van hem in alle seizoenen. In de sneeuw, in de herfst.’

‘Echt mooi ja, zou ik een foto van je mogen nemen naast de boom?’

‘Ja, er is wel niemand om een foto te nemen.’

‘Oh dat hoeft niet.’

Hij gaat naast de boom staan, terug die combinatie van verstrooid en nieuwsgierig.

We keren terug naar het terras.

‘De kleinkinderen zijn er.’

Ik zie een meisje naar hem toelopen en hem omhelzen.

‘Gelukkige verjaardag nog,’ zegt hij tegen haar.

Ik kijk haar aan, lach en ze vraagt ‘wat doe jij hier?’

‘Ik ben vragen komen stellen aan je opa.’

‘Waarom?’

‘Omdat hij een voorbeeld is voor mij en voor vele anderen.’

‘Echt?’

‘Ja, echt.’

Van Rompuy begeleidt me naar buiten.

‘Is dit een deelwagen?’ vraagt hij.

‘Ja, een cambio. Ik woon in het centrum van Antwerpen en dan is dat heel praktisch.’

‘Interessant. Ben je een goede chauffeur, om achteruit naar buiten te rijden?’

‘Het lukt wel.’

Hij opent de poort en kijkt aandachtig hoe ik achteruit maneuvreer. Hij komt me nog na. Ik stap uit en schudt hem nog de hand.